De kussens staan leuk in ons huisje aan de kust. Ik twijfelde eerst even, omdat ze uit dezelfde serie komen als de gordijnen en ik niet zo van de 'bijpassend' ben, maar in een kleine ruimte geeft het ook wel rust.
De zon laat zich voorzichtig zien, nog een beetje schuchter omdat ze zo lang niets van zich heeft laten horen. We eten een broodje op het terras in het dorp.
Zoon pakt zijn spel op met zijn vriendje. Voor een buitenstaander is het onbegrijpelijk, maar dat hoort ook zo.
Man maait het gras. Ik pak de fiets.
Het enige dat ik hoor is het knisperende geluid van mijn fietsband, zich een weg banend over het schelpenpad. En af en toe een vogel. Ik maak mijn hoofd leeg, voor zover dat mogelijk is.
We zijn te lui om boodschappen te doen. En daarom lopen we door de duinen naar onze favoriete strandtent.
Zoon maakt een hart voor mij, alvast voor Moederdag.
We kunnen nog achter glas op het terras eten, maar daarna koelt het snel af. We verheugen ons op de warmte van de kachel van ons huisje, terwijl we teruglopen.
Man zit voor de kachel als ik thee zet. Maar wat hij ook probeert, de kachel gaat niet aan. Ik kijk naar de weersvoorspelling op het Journaal, het wordt vannacht rond het vriespunt. Maar morgen wordt het schitterend weer.
We dubben terwijl het steeds kouder wordt. 'We gaan naar huis', zeg ik resoluut. Zoon begint te snikken. Ook hij vindt het heerlijk in het huisje.
'Kun je morgenochtend aan mama je Moederdagcadeautje geven', fluister ik. Dat ligt namelijk nog thuis. Hij knikt door zijn tranen heen. 'Ik heb het inpakpapier zelf gemaakt', fluistert hij terug.
En laat ik dat nu het mooiste vinden.